Raad van State schendt EU-recht – PILP-NJCM vecht dit aan samen met Afghaanse 1F’er

Een Afghaanse 1F’er en het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten (PILP-NJCM) dagvaarden de Nederlandse Staat wegens schending van het EU-recht door de Raad van State. De Raad van State, de hoogste instantie in Nederland die over vreemdelingenzaken gaat, heeft het EU-recht geschonden door geen individueel onderzoek te doen naar de 1F’er, en na te laten hierover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: EU Hof) in Luxemburg. Op grond van het EU-recht levert dat een onrechtmatige daad op van de Nederlandse Staat. Partijen vragen de rechtbank Den Haag om dit in een uitspraak te bevestigen.

Artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag wordt tegengeworpen aan asielzoekers waarvan sterke vermoedens bestaan dat zij mensenrechten hebben geschonden (ze krijgen, kort gezegd, een ‘1F-status’).

Zij krijgen geen verblijfsvergunning, waardoor ze geen aanspraak kunnen maken op sociale rechten en niet kunnen werken in Nederland. Hun familieleden worden financieel gekort als zij bij hen inwonen. Tegelijkertijd is voor deze vluchtelingen terugkeer naar hun eigen land vaak onveilig of onmogelijk en kunnen zij ook niet naar een ander land toe. Enkele honderden Afghaanse vluchtelingen zitten onder deze omstandigheden al meer dan tien, soms zelfs vijftien jaar ‘vast’ in Nederland.

Dit komt doordat Nederland heeft besloten om van alle Afghanen die in de jaren ’80-’90 voor de Afghaanse veiligheidsdienst gewerkt hebben en die in Nederland asiel hebben aangevraagd, in zijn algemeenheid aan te nemen dat er sterke vermoedens bestaan dat zij mensenrechten hebben geschonden. Op de asielzoeker rust de bewijslast aan te tonen dat hij geen mensenrechten heeft geschonden. Deze praktijk is echter in strijd met het EU-recht dat bepaalt dat de overheid altijd een individueel onderzoek moet doen of er ten aanzien van dat individu inderdaad sterke vermoedens bestaan dat hij mensenrechten heeft geschonden. Meer specifiek volgt uit het arrest van het EU Hof B. en D. tegen Duitsland van 9 november 2010 dat de overheid steeds een individueel onderzoek moet doen, en op grond daarvan ernstige redenen moet hebben voordat de 1F-status kan worden toegekend. Een asielzoeker mag niet in de positie worden gebracht dat hij moet bewijzen dat hij geen oorlogsmisdrijven heeft gepleegd. Ook hier geldt het beginsel dat iemand geacht wordt onschuldig te zijn totdat de overheid het tegendeel heeft bewezen.

Het EU Hof gaat uiteindelijk over de vraag of het Nederlands 1F-beleid indruist tegen het EU-recht. Maar als gewone burger kun je niet naar dat Hof toe. Als er twijfels bestaan of Nederlands beleid in strijd is met het EU-recht, moet de hoogste nationale rechter, in dit geval de Raad van State, die kwestie voorleggen aan het EU Hof.

De Raad van State heeft tot op de dag van vandaag nagelaten dat te doen, terwijl die twijfels er op zijn minst genomen wel zijn. Dit betekent dat voor de Afghaanse 1F’er in Nederland geen toegang tot het EU Hof bestaat, terwijl hun situatie wel in strijd is met het EU-recht. De Nederlandse Staat is verantwoordelijk voor de naleving van het EU recht, ook door de hoogste rechter. Doet de hoogste rechter dit niet, dan handelt de Nederlandse Staat onrechtmatig. Daarom zijn het PILP-NJCM en de Afghaanse 1F’er nu naar de rechter gestapt.

De zaak is opgezet door het PILP-NJCM. Advocaat in de zaak is mr. Martijn Snoep van De Brauw Blackstone Westbroek, in samenwerking met mr. Marieke van Eik van Prakken D’Oliveira en mr. Jelle Klaas van het PILP.

Lees de dagvaarding hier.

Share on LinkedInShare on FacebookTweet about this on TwitterShare on Google+