Amicus curiae door PILP-NJCM over vrijheid van meningsuiting in de cassatie Feijen

Het Public Interest Litigation Project van het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten (PILP-NJCM) heeft een amicus curiae, of opiniebrief, ingediend bij de Hoge Raad over de toetsing van de vrijheid van meningsuiting in de zaak van de heer Feijen. Gemeenteraadslid Feijen heeft tijdens een raadsvergadering een tweet geplaatst waarin hij gemeenteraadslid Nawijn een racist noemde. Hiervoor is hij door het gerechtshof veroordeeld. Het PILP-NJCM vindt het belangrijk dat de juiste mensenrechtentoets plaatsvindt.

In de brief beschrijft het PILP-NJCM, als ‘vriend van de Hoge Raad’, de toetsing van de vrijheid van meningsuiting, artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), aan de hand van de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Volgens het PILP-NJCM is het belangrijk dat er aandacht is voor de vraag of de veroordeling van de heer Feijen in overeenstemming is met artikel 10 EVRM.

De heer Feijen, gemeenteraadslid voor de SP in Zoetermeer, heeft tijdens een raadsvergadering een tweet geplaatst waarin hij de heer Nawijn, gemeenteraadslid voor de Lijst Hilbrand Nawijn, een racist noemde. Aanleiding hiervoor waren de uitlatingen van de heer Nawijn tijdens de raadsvergadering over het al dan niet stichten van een bijzondere islamitische basisschool, waarin Nawijn heeft verklaard dat deze scholen niet zouden bijdragen aan de integratie van burgers in de Nederlandse samenleving. Nawijn doelde daarbij op scholen met een islamitische grondslag en niet op scholen met een religieuze grondslag in het algemeen, zo bleek uit zijn antwoord op een vraag van Feijen. De heer Feijen stelde daarop dat de heer Nawijn discriminatoir bezig was. Op sociale media legde Feijen kort daarna uit dat hij het probleem wilde benoemen van de ‘discriminatie van een complete geloofsgemeenschap door de racist Nawijn.’ De heer Feijen is door de rechtbank vrijgesproken, maar door het gerechtshof veroordeeld wegens eenvoudige belediging (art. 266 Wetboek van Strafrecht). Er is een voorwaardelijke boete aan hem opgelegd. De zaak heeft tot veel ophef en aandacht in de media geleid. Zie bijvoorbeeld dit artikel van de Telegraaf en van de NRC.

Het PILP-NJCM is in de brief, aan de hand van de jurisprudentie van het EHRM, nader ingegaan op de politieke context rondom de uitlating, op het feit dat de heer Nawijn en de heer Feijen politici zijn en op de kwalificatie van de uitlating als ‘onnodig grievend’. Het is volgens het PILP-NJCM belangrijk dat de Hoge Raad aandacht besteedt aan de vraag of de veroordeling van de heer Feijen in overeenstemming is met artikel 10 EVRM.