Staatloosheid

Wereldwijd zijn er 12 miljoen mensen staatloos, wat betekent dat zij geen enkele nationaliteit hebben. In Europa wonen er naar schatting 600.000, waarvan ruim 2.000 in Nederland. Deze 2.000 staatlozen zijn als zodanig erkend door de Nederlandse overheid. Vanwege deze erkenning genieten zij bepaalde rechten onder de Staatlozenverdragen van 1954 en van 1961.

Daarnaast zijn er ruim 80.000 mensen in Nederland waarvan de nationaliteit onbekend is. Deze mensen kunnen niet bewijzen dat zij geen nationaliteit hebben, waardoor Nederland ze niet als staatloos wil erkennen. Zij kunnen geen rechten ontlenen aan de genoemde verdragen. Mensen met onbekende nationaliteit mogen bijvoorbeeld niet werken en ook het volgen van onderwijs is voor hen problematisch. Toegang tot andere basisbehoeften, onderdak in het bijzonder, blijkt ook vaak een probleem te zijn.

Voor deze 80.000 mensen is er in Nederland momenteel geen uitweg uit deze situatie, omdat er geen vaststellingsprocedure voor staatloosheid is. Hierdoor kunnen zij ook niet de stap naar erkenning nemen.

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft in een brief naar de Tweede Kamer aangegeven dat hij momenteel na een tweetal rapporten en Kamervragen aan het verkennen hoe een dergelijke vaststellingsprocedure kan worden ingericht. Voor kinderen wil hij de procedure iets versoepelen, maar over de procedure voor volwassenen heeft hij zich niet verder uitgesproken.

Het PILP en de Amsterdams Solidariteits Komitee Vluchtelingen (ASKV) zijn nu een aantal dossiers aan het verzamelen van verschillende staatlozen in Nederland teneinde:

  • de verschillende varianten van staatloosheid in kaart te brengen en zo de Staatssecretaris, de Tweede Kamer en de regering een beter beeld te geven van de verschillende soorten dossiers;
  • de rapportages van het UNHCR (2011) en de ACVZ (2014) over staatloosheid in Nederland waar nodig verder uit te werken;
  • advocaten informatie aan te reiken die zij kunnen gebruiken in hun procedures voor bijvoorbeeld erkenning van de staatloosheid en/of buiten schuld verklaring.

Dit probleem omtrent staatloosheid werd al in 2011 geconstateerd. Het Hoog Commissariaat der Verenigde Naties voor Vluchtelingen (UNHCR) bracht in 2011 een rapport uit, waarin het probleem van staatloosheid in Nederland voor het eerst aan het licht werd gebracht. De Adviescommissie van Vreemdelingenzaken (ACVZ) boog zich naar aanleiding van dit rapport over het probleem en publiceerde in december 2013 haar bevindingen. In haar rapport stelt de ACZV dat er in Nederland geen deugdelijke vaststelling van staatloosheid plaatsvindt, terwijl dit noodzakelijk is voor de effectuering van een aantal rechten uit het Verdrag betreffende de Status van Staatlozen uit 1954 en het verdrag tot beperking der Staatloosheid uit 1961. De commissie beveelt om een vaststellingsprocedure voor staatloosheid in het leven te roepen. De ACZV stelde bovendien vast dat het huidige optierecht voor in Nederland geboren staatloze kinderen alleen toegankelijk is voor degenen mét wettig verblijf en daarmee niet in overeenstemming is met het Verdrag tot Vermindering der Staatloosheid (1961) en artikel 7 (recht op een nationaliteit) van het VN-Kinderrechtenverdrag. De commissie adviseerde de regering en het parlement om deze eis te laten vervallen.

Updates:

  • In januari 2015 is een brainstormsessie gehouden over staatloosheid. Hierin hebben verschillende experts en belangenorganisaties gediscussieerd over een plan van aanpak.
  • Klik HIER voor onze oproep voor onderzoeksstudenten voor dit onderwerp.

 

 

 

 

 

pilpStaatloosheid